Aan de Vliet in Voorburg ligt de voormalige buitenplaats “In de Wereldt is veel Gevaer”, een naam die direct tot de verbeelding spreekt. De buitenplaats bestond al in 1641: in dat jaar verkocht de weduwe van Joost Engels de buitenplaats aan Dirck Jansz Cluijt van Paridon. In 1745 koopt de leerlooier en Hugenoot Jean Nau het terrein en breidt het uit met looiputten en bedrijfsactiviteiten. De ligging aan het water was daarbij ideaal: grondstoffen konden via de Vliet worden aangevoerd en afgevoerd, maar het leven langs de druk bevaren rivier bracht ook risico’s met zich mee—een mogelijke verklaring voor de opvallende naam. Waarschijnlijk werd hij in de 18e eeuw bedacht door een schipper of eigenaar die dagelijks leefde met het water en de scheepvaart op de Vliet en zo bekend was met de risico’s.
In 1745 wordt de buitenplaats verder uitgebreid met een naastgelegen huis, waarna de naam definitief verbonden raakt aan het complex. Het is echter in circa 1790 dat een belangrijke transformatie plaatsvindt: het oude huis en delen van de bebouwing worden gesloopt en vervangen door een nieuw, statig Lodewijk XVI-herenhuis, met een symmetrische gevel en een representatieve ligging aan de Vliet. In de gevel is nog een steen met initialen van de toenmalige eigenaar te vinden, een tastbare herinnering aan deze bouwfase.
In de 19e en 20e eeuw verandert de functie meerdere keren. Rond 1843 wordt het pand ingericht als kostschool, waarna het later opnieuw de naam “In de Wereldt is veel Gevaer” terugkrijgt. Vanaf 1911 volgt een periode als wasserij met stoominstallatie, waarbij het gebouw een meer industriële bestemming krijgt. Na een restauratie in de jaren 1970 krijgt het complex een nieuwe woonfunctie als appartementen, waardoor de buitenplaats opnieuw onderdeel werd van het stedelijke weefsel langs de Vliet.


